In de morgendienst van 9 juni komt Handelingen 2 aan de orde waar we lezen over tekenen van wind en vuur. Over ‘vuur’ zullen we in het bijzonder nadenken.

Vuur roept bij ons soms een gevoel van ‘gevaar’ op. Bij vuur op de hei denken we aan zo snel mogelijk blussen. Daar moet je als de brandweer bij zijn. Er is echter ook vuur waar je naar uitziet. En dan denk je aan licht en warmte. Vuur dat fascineert, vlammen die vrolijk flonkeren. In de Bijbel wordt dan ook gezegd dat we het vuur van de Heilige Geest niet uit moeten blussen. (1 Thessalonicenzen 5:19) Het volgende lied van ds. Troost zullen we met Pinksteren zingen.

In vuur en vlam zet ons de Geest
gegeven op het pinksterfeest,
ten leven op ons uitgestort –
hoort hoe Gods kerk geboren wordt!

Wie door dit vuur wordt aangeraakt
en uit het ongeloof ontwaakt,
beleeft – God lof! – een ommekeer,
de dag van de verrezen Heer.

Wie op het rijk van Christus hoopt
ontvangt de Geest en wordt gedoopt –
God heeft uw zonden weggedaan,
een nieuwe mens is opgestaan!

En is uw vlam haast uitgeblust,
gij moedeloze, hier is rust!
Al wie in eerbied voor Hem knielt
wordt met zijn vuur opnieuw bezield.

Wie gaan gebukt door angst en pijn
of schuldeloos gevangen zijn,
om Christus en het recht bespot,
hun offer is bekend bij God.

Zo waait de wind, zo blaast de Geest,
Zo laait het vuur van pinksterfeest,
Wij zijn het lichaam, Hij het hoofd –
Uw naam, Heer Jezus, zij geloofd!
( Zingende Gezegend Lied 184 – melodie Gez. 281)

Ds. Nees Cluistra