Generatiediensten in de zomerperiode

10 jul 2026 | Nieuws, Samen Dorpskerk

Zoals al jaren gebruikelijk staan we in de zomerperiode stil bij een mooi lied uit het liedboek. Deze zomer is dat lied 908 (of gezang 430) ‘Ik heb U lief, o mijn beminde’. Dit doen we in drie diensten, 12 juli, 2 augustus en 30 augustus. Uiteraard wordt dit ook weer muzikaal en visueel ondersteund. Muzikaal via mooie orgelbewerkingen bij dit lied, visueel in de vorm van drie panelen die de hele zomer voor in de kerk staan. Ook laten we net als andere jaren minder bekende, zeer toepasselijke liedboekliederen klinken en zijn er, in diverse samenstellingen, bijdragen van de muziekgroep.

De eerste twee coupletten van lied 908 luiden als volgt:

Ik heb U lief, o mijn beminde,
di
e al mijn vreugd en sterkte zijt.
Ik heb U lief, o welgezinde,
wiens komst ik dog en nacht verbeid.
Ik heb U lief, o schoonste licht, glans van Gods aangezicht.

Ik heb U lief, o Gij mijn leven,
vriend die mij trouw zijt tot het eind.
Ik wit aan U mij overgeven,
mijn zon, zolang Gij mij beschijnt
Ik heb U lief, - o kom dan, kom,
Christus, mijn Bruidegom!

Het is een innig en mystiek liefdeslied uit 1657 en het gaat over de persoonlijke relatie tussen de ziel en Christus. Het werd geschreven door de toen bekende Duitse dichter Johann Scheffler (1624-1677). Hij was oorspronkelijk Doopsgezind, werd Luthers om later Rooms-Katholiek te worden toen kreeg hij als kloosternaam Angelus Silesius. In dit lied kom je allerlei Bijbelwoorden tegen, zoals uit het boek Hooglied, het liefdeslied bij uitstek. Dit lied der liederen gaat over de vurige en verlangende liefde tussen man en vrouw waarbij alle zintuigen meedoen. Zoals u weet is Hooglied echter door de geschiedenis heen vaak 'geestelijk' gelezen. De liefdesband tussen God en zijn volk Israël en tussen Christus en de gemeente wordt dan bezongen. En in Lied 908 is die band dus heel persoonlijk gemaakt. 'lk' die zich vol liefde richt op U!

Uit de gebruikte woorden blijkt ook dat de dichter teruggrijpt op de Belijdenissen (Confessiones) van kerkvader Augustinus (354-430). In die belijdenissen beschrijft Augustinus zijn verlangen naar God, over zijn dwaalwegen en bekering. Couplet 3 begint immers met woorden uit Confessiones X, 38: 'Ach, dat ik U zo laat herkende, Gij die de Schoonheid zelve zijt'. In lied 908 beschrijft de dichter de verwondering dat God hem uit dat leven zonder God, de duisternis, geroepen heeft en naar het licht geleid heeft. In de slotcoupletten bidt de dichter intens dat God hem vasthoudt en hij niet weer verdwalen zal en herhaalt vervolgens een aantal keren vol overgave: 'lk heb U lief.’

Kortom: een prachtig lied waarin allerlei Bijbelse thema's doorklinken. Laten we het met hart en ziel zingen. De Belijdenis van Augustinus luidt:

Laat heb ik u lief gekregen,
O schoonheid, zo oud en zo nieuw,
laat heb ik u lief gekregen!
En gij waart binnen en ik was buiten,
en daar zocht ik u,
en ik rende, wanstaltig als ik was,
op de schone dingen af die door u gemaakt zijn.
Gij waart bij mij en ik niet bij u.
Ik werd ver van u gehouden
door dingen die niet bestaan zouden hebben,
als ze niet in u bestaan hadden.
Geroepen hebt gij,
geschreeuwd en mijn doofheid doorbroken;
gestraald hebt gij,
geschitterd en mijn blindheid verjaagd;
gegeurd hebt gij
en ik heb ingeademd en snak nu naar u;
geproefd heb ik
en nu honger en dorst ik;
aangeraakt hebt gij mij
en ik ben ontvlamd aan uw vrede.